Tijdens welk gedeelte van de vlucht wordt de invalshoek van het scherm zodanig vergroot dat de luchtstroom rond het scherm niet meer laminair is maar 'afbreekt'?
Zie hoofdstuk 5.4, de paragraaf over zakvlucht en stall.
De weerstand is afhankelijk van...
Zie hoofdstuk 5.2.

Wat geeft punt B aan in bovenstaande grafiek?
Zie hoofdstuk 5.4.
Merk op dat in de derde editie van Vrij Vliegen de polaire van moderne(re) schermen getoond wordt. Bij moderne schermen is de trimsnelheid ook de snelheid van het beste glijden - in bovenstaande grafiek vallen dan punt A en B samen. Moderne competitieschermen hebben soms zelfs hun beste glijgetal bij 25% tot 50% speed!
Op grote hoogte boven zeeniveau wordt het (berg)starten eenvoudiger. Is deze stelling juist?
Zie hoofdstuk 5.2.
Een piloot van 90 kg en een piloot van 70 kg vliegen tegelijkertijd met precies dezelfde uitrusting. Bij windstilte maken zij een glijvlucht vanaf hetzelfde startpunt. De volgende uitspraak is juist:
Zie hoofdstuk 5.4.
Je vliegt met 50% rem en remt dan verder aan tot 90%. Wat gebeurt er met de invalshoek?
Zie hoofdstuk 5.3, de paragraaf invalshoek.
Vliegt een scherm met een voorwaartse snelheid ook altijd naar beneden ten opzichte van de omringende lucht?
Zie hoofdstuk 5.1.
Je vliegt een thermiekbel in. Wat gebeurt er op dat moment met de invalshoek?
Zie hoofdstuk 5.3, de paragraaf invalshoek.
Je hebt een lintje aan je riser gebonden om te zien hoe de lucht beweegt. Je vliegt op trimsnelheid recht naar het noorden. Er is een stevige meteowind uit oostelijke richting. In welke richting wappert het lintje?
Je bent onderdeel van de lucht en de luchtstroom die je voelt en het lintje doet wappert komt enkel van je vliegsnelheid. Het lintje wappert dus naar achter.
Een reddingsscherm (of noodchute) heeft een bepaalde daalsnelheid. De daalsnelheid kan groter afhankelijk van een aantal eigenschappen. Welke van de onderstaande eigenschappen heeft vrijwel geen invloed voor de daalsnelheid.
Zie hoofdstuk 7.4.